Nabootsing

Nabootsing

Het toverwoord voor de opvoeding in de eerste zeven jaar - ABC Opvoedwijzer 1

Een pasgeboren baby kent geen grens tussen zichzelf en de omgeving. Als het ouder wordt, gaat het die grens ervaren. Dat betekent (ook) dat het jonge kind leert door de nabootsing: het meebeleven en nadoen van wat het in zijn omgeving waarneemt.
Hoe werkt die nabootsing en hoe kun je van dit gegeven gebruik maken in het opvoeden van jonge kinderen?
(ABC Opvoedwijzer nr.1, 24 pagina’s, in kleur geïllustreerd, geniet)
VAN 4,75 VOOR 2,50

ABC Opvoedwijzers: Hoeveel vragen leven er tegenwoordig niet bij ouders en opvoeders? De tijd van het traditionele en daarmee ook 'vanzelfsprekende' opvoeden, ligt echt achter ons.
De reeks ABC Opvoedwijzers biedt beknopte, begrijpelijke én waardevolle informatie - voor ouders, opvoeders en leerkrachten.


Nabootsing
Het toverwoord in de opvoeding van het kleine kind
Cornelis Boogerd: een voorproefje


Iedereen kent het beeld: moeder, die strijkt, en het vierjarige kind, dat haar nadoet op een klein plankje met enkele zakdoeken en een blokje hout. Het kleine kind voelt zich nog niet zo duidelijk gescheiden van de omgeving. Het leeft zich heel diep daarin in. Door innerlijk en uiterlijk mee te bewegen, verwerft het allerlei vaardigheden, die pas later bewust kunnen worden. De leerweg van het kleine kind is die van de nabootsing. Het doelgerichte schoolse leren past daar nog niet bij. Dat gaat immers uit van een kunstmatige scheiding tussen de leersituatie en het dagelijkse leven. Die scheiding is voor een klein kind geen werkelijkheid. Daarom noemde Rudolf Steiner, de initiator van de vrije schoolpedagogie, de nabootsing het toverwoord voor de opvoeding van het kind in de eerste zeven levensjaren.
Dat is mooi gezegd. Maar wat betekent het nu in de praktijk? En is er niet een groot verschil tussen een kind van één jaar en dat van zes jaar?


Van 0-3 jaar
De nabootsing is een wonderlijk vermogen. Als mens worden we met dat vermogen geboren. Het is meegebracht uit de wereld, waar we vandaan komen. Het kindje in de wieg wordt eerst vooral in beweging gebracht door het organisme, de stofwisseling, de natuurlijke reflexen. Daar moet het eerst nog in thuis raken. Bij de dieren blijft het daarbij. Zij zijn zo sterk aan hun instinctieve gaven gebonden, dat ze al snel volwassen zijn, en zich net zo kunnen gedragen als hun ouders. Bij de mens gaat dat veel langzamer. Een kind heeft een jaar nodig, om zich op te richten. Zonder voorbeeld lukt dat niet, zoals bijvoorbeeld de geschiedenis van de wolfskinderen in India duidelijk maakt. Wat heeft een kind niet allemaal geleerd in de eerste drie jaar! Het heeft geleerd, om het lichaam te bewegen volgens de eigen wil. Het heeft geleerd, om te spreken zoals de omgeving dat doet, en het heeft een eerste aanzet verworven, om eigen gedachten te vormen.
Het is grappig om te zien, hoe kinderen allerlei fijnere eigenaardigheden van de ouders hebben overgenomen. De bewegingen, de uitspraak, en ook iets van de levenshouding. Met inzet van zijn hele wezen streeft het ernaar, om mens te worden in de meest algemene zin van het woord. En als de mens een beetje voorover loopt, of met een Twents accent spreekt, dan neemt het kind dat ook over. Daar kwam geen leerboek aan te pas!

Van 3-5 jaar
Nadat het kind zich deze basis heeft verworven, kan het zich meer gaan openen voor de omgeving. Het begint innerlijke beelden te vormen van die omgeving, waardoor het steeds beter kan meeleven en inleven. Het is blij, wanneer het in de omgeving bekende beelden ziet, bekende mensen, meubels, spelletjes, en ook een platenboekje kan steeds weer opnieuw bekeken worden. Ook begint het, de eerste eigen beelden te tekenen om papier. In eerste instantie staat het peutertje dromerig langs de kant te kijken, wanneer de grotere kinderen spelen. Langzaam wordt het dan ook in beweging gebracht, en kan het zelf meedoen. Het geniet van die verbinding met de mensen, de kinderen en de natuur. Het kind komt nu in een actief gesprek met de omgeving. Dat is de gouden tijd van de nabootsing: je ziet een groep kleuters in een kring rond hun leidster. Met grote vreugde doen ze haar gebaren na. Bijvoorbeeld hoe de zonnebloem zich opent, of hoe de regen uit de wolken valt. Wanneer de juf even een stofje van haar bloes pakt, doen de kinderen dat ook na. Zonder vragen te stellen, met even groot plezier. De nabootsing is nu directer zichtbaar.

Van 5-7 jaar
Bij de oudere kleuters gaat er weer iets veranderen. Ze gaan niet overal meer zo vanzelfsprekend in mee, en maken ook eigen afwegingen: ”Ik heb nu even geen tijd, ik ben de buschauffeur” – ”Nou goed dan, ik help wel met tafel dekken, maar mag ik dan straks weer met mijn puzzel verder gaan?”
Zij groeien al naar het schoolkind toe. De interesses worden persoonlijker, en de nabootsing wordt selectiever. In de tussenruimte tussen waarneming en handeling ontstaat steeds meer eigen afweging. Ook kan het gebeuren, dat een bezoek aan de tandarts of aan de dierentuin pas later nagespeeld wordt, eventueel met een eigen richting in het verhaal. Dat kan nu, omdat het geheugen langzamerhand zelfstandiger beheerst wordt.
De oudere kleuter heeft voorbeelden nodig, waarmee hij of zij zich kan identificeren als persoon. Daarom is het waardevol, om het kind in deze fase verschillende beroepsbeelden en zinvolle handelingen te laten ervaren. Vooral het actieve voorbeeld is een groot geschenk.

Naar school
Dat lukt pas goed, wanneer de schoolrijpheid is bereikt. Dan kan ook een andere manier van leren beginnen. In de benedenbouw kan de opvoeder het kind op dat bewuste geheugen aanspreken. Het kind kan een opdracht uitvoeren in een andere omgeving en op een ander tijdstip. Het kan bewust gaan leren, in een lessituatie, die van de dagelijkse werkelijkheid verschilt. Het vermogen om na te bootsen neemt daarmee weer af, hoewel het tot het negende jaar nog aanspreekbaar blijft.

De opvoeder
Het is wel belangrijk, om die verschillen te onderkennen. Wanneer je bijvoorbeeld verwacht van een zesjarig kind, dat het net zo in de nabootsing meegaat als een vierjarige, dan ben je vaak teleurgesteld, en leg je een onnodige druk. Soms kan zo'n kind ook wel eens wat directer aangesproken worden.
Wat betekenen deze inzichten voor de opvoeder? Je kunt daar mooi over nadenken, maar deze werkelijkheid komt wel heel dichtbij. In het voorbeeld van de juf, die een stofje van haar bloes plukt is het nog even grappig. Maar wat, als kinderen ook dingen nadoen, waar je eigenlijk liever niet mee te koop loopt? Jouw gedrag als opvoeder krijgt ineens een andere dimensie. Dingen, die je normaal gesproken onbewust doet, worden nu ineens een diep ideaal voorbeeld voor dat kleine mensje dat met jou leeft. Hoe ga je daar mee om? Je wordt geconfronteerd met je eigen beperkingen als mens, en dat is nooit leuk. Maar het kind neemt ook waar, wanneer je eerlijk met jezelf en de wereld omgaat, en probeert van je beperkingen te leren. Ook dat is een voorbeeld.
Gelukkig leert niet alleen het kind, maar ook de volwassene. Door met het kind mee te leven, kunnen we verschillende thema's nog eens nieuw onderzoeken in onze eigen ontwikkeling:
- Hoe ben ik met de natuur verbonden, met de schepping, met mijn eigen lichaam? Welk voorbeeld geef ik op dat gebied?
- Hoe ben ik met mijn medemensen verbonden? Kan ik vreugde beleven aan het samenzijn, aan het spel van de ontmoetingen?
- Waarmee heb ik mij geïdentificeerd? Wat kan ik goed? Waar heb ik bewondering voor?
Het kan zijn, dat je zo dingen tegenkomt, die in je eigen kindertijd niet genoeg ruimte kregen. Dan is deze weg als opvoeder een nieuwe kans, om daar weer iets in beweging te brengen. Die weg ga je bovendien niet alleen: je hebt de beste opvoeder als gids aan je zijde: het kleine kind.

ISBN 9073310490

2,50